BESTE LEDEN LOG IN A.U.B.

    Rasbeschrijving van de Mechelse Herder

    Deel
    avatar
    L.G.R
    Moderator
    Moderator

    Aantal berichten : 187
    Punten : 562
    Registratiedatum : 15-04-11
    Leeftijd : 36
    Woonplaats : Amsterdam

    Rasbeschrijving van de Mechelse Herder

    Bericht  L.G.R op ma 18 apr 2011, 08:42

    Rasgroep van de Mechelse Herder
    De Mechelse Herder behoort tot de Rasgroep "Herdershonden"


    Geschiedenis van de Mechelse Herder

    Geschiedenis van de herdershond

    In Duitsland, Frankrijk, Nederland, België en andere West-Europese landen groeiden de grote industriële steden sneller dan in de Balkan en de Oost-Europese landen. Dit betekende niet alleen dat roofdieren minder voorkwamen, maar ook dat de bevolking zich steeds meer bewust werd van de uitstekende kwaliteiten van de schaapshonden in de diverse streken. In de tweede helft van de 19e eeuw leidde dat ertoe, dat steeds meer aandacht werd gegeven aan honden van een bepaald type, hoewel er nog steeds grote verschillen te vinden waren van het ene gebied tot het andere gebied.

    Zo was ook de situatie in België aan het einde van de 19e eeuw. Er waren tamelijk veel herdershonden van zeer uiteenlopende typen. De grootte van de honden was echter aardig gelijk en de meeste van die herdershonden waren zo rond de 50 cm hoog. Ze stonden bekend als temperamentvolle honden, die voor de herder een geweldige hulp betekende, maar die tegenover vreemden nogal achterdochtig waren. De honden waren opvallend vierkant van bouw en ze hadden vrij lichte botten. Ze waren zonder meer goed opgewassen tegen de veelal barre weersomstandigheden waaronder ze moesten werken. Het waren werkhonden bij uitstek en hun taak bij de kudde was voor deze honden duidelijk een levensbehoefte.

    De Mechelse Herder

    De kortharige herdershond, ook wel de kortharige scheper genoemd, kwam in zijn beste vorm rond de vorige eeuwwisseling voor in de Antwerpse Kempen, het gebied in de richting van de Nederlandse grens en verder in Noord-Brabant. Ze waren gewoonlijk in het bezit van de boeren waarvoor ze nog dagelijks hun belangrijke taken uitvoerden. Deze honden bleken aardig gelijk van vorm en ze werden door prof. Reul omschreven als: 'Ze hebben de grootte van een vos of wolf, zijn kortharig en van vaal gestroomde kleur; hun oren zijn bewonderenswaardig recht, fijn en spits, en open naar voren gedragen. Andere kenmerken zijn de puntige snuit, de pikzwarte neus, de goed gedragen staart, bijna waterpas maar licht hoger aan het uiteinde en behaard in vorm van een korenaar'.

    Mede op advies van prof. Reul werd in Mechelen met behulp van enige liefhebbers in 1898 de 'Mechelse Club tot Verbetering van den Kortharigen Schaapshond' opgericht. Deze Mechelse Club werd een afdeling van de Club du Chien de Berger Belge'. Het doel was te komen tot een verbetering van de typen van de kortharige Belgische Herdershond, zoals die met name in de omgeving van de stad Mechelen werd gefokt.

    Tot het jaar 1899 werden de Belgische Herdershonden in de eerder genoemde drie groepen onderverdeeld, namelijk lang-, ruw- en kortharen, waarbij de kleur van de hond geen enkele rol speelde. In 1899 werd door de Club du Chien de Berger Belge een eenzijdige beslissing genomen over de verdeling van de haarkleur, zonder dat daarin de Mechelse Club was gekend. Men stelde voor de drie variëteiten de volgende kleuren vast: zwart voor de langharige, peper en zout voor de ruwharige, en leeuwkleurig (fauve charbonné) met zwart masker voor de kortharige. de Mechelse Club betitelde deze beslissing van de hoofdvereniging als een soort van staatsgreep', want men had een heel andere opvatting over de kortharige herdershond.

    Voor alles moesten hun honden namelijk werkhonden zijn. Niet het uiterlijk van de hond was bepalend, zo stelden ze, maar de combinatie van uiterlijk en innerlijk. Ze gaven de voorkeur aan goed afgerichte honden, die bovendien goed gebouwd waren en een 'gaaf en slim voorkomen' hadden. De kleur van de hond was voor hen slechts bijzaak. Men wilde ten koste van alles voorkomen dat de Mechelaar zou vervallen tot een soort luxehond en dat het ras zijn geweldige karakter zou verliezen.

    Herkomst:
    België


    Andere benamingen:
    Malinois


    Karakter van de Mechelse Herder

    Het karakter van de Mechelse Herder/Malino:


    De Mechelse Herder staat vooral bekent om zijn werkwilligheid, vasthoudendheid, scherpe intelligentie, hardheid, oplettendheid, slimheid, moed, enz. .
    Hij is ook zeer trouw en natuurlijk ook zeer waaks. De Mechelaar beschermd zijn gezin en hun bezittingen zeer overtuigend tegen kwaadwillende. Daarom wordt hij tegenwoordig veel gebruikt als politiehond.

    De Mechelaar is een beweeglijke en temperamentvolle hond die dominant kan zijn.
    Als je een goede verhouding hebt met je hond en je bent met hem bezig kan hij ook in een kennel gehouden worden.
    Ze zijn dan ook enorm gehecht aan hun baas.


    Rasstandaard van de Mechelse Herder

    Korte Geschiedenis van het ras:

    Aan het einde van de jaar 1880 waren er in België een groot aantal honden die de kudden dreven. Het type was heterogeen en de vachten uiterst verscheiden. Met het doel wat orde op zaken te stellen vormeden enkele gedreven hondenliefhebbers een groep. Ze lieten zich advijemoederseren door Professor A.Reul van de ewadrden beschouwd als de echte pionier en grondlegger van het ras.
    Het ras is officieel ontstaan tussen 1891 en 1897. Op 29 september 1891 werd te Brussel de "Club du Chien de Berger Belge" opgericht en op 15 november van hetzdasdaselfde jaar organiseerde Prof. A.Reul een bijeenkomst in Cureghem van 117 honden, wat toeliet om het bestand te tellen en de beste exemplaren te selecteren. De daaropvolgende jaren werd begonnen met een echte fokselectie, door toepassen van extreem dichte inteelt op enkele dekreuen.dasdasd
    Op 3 april 1892 werd door de "Club du Chien de Berger Belge" reeds een eerste, erg gedetailleerde ras standaard opgesteld. Eén enkel ras was toegelaten, met drie haarvariëteiten. Nochtans, zoals men destijds zei, was de Belgische Herder maar een hond van `de kleine luiden`, een ras dus dasdasat nog prestige miste. Dit had als gevolg dat slechts in 1901 de eerste Belgische Herders in het stamboek van de Koninklijke Maatschappij Sint-Hubertus (L.O.S.H.) werden ingeschreven.
    In de loop van de jaren die volgden namen de bestuurders van de herdershondenliefhebberij vastberaden de taak op zdasdasich om eenheid te brengen in het type en om de fouten te verbeteren. Men mag stellen dat reeds rond 1910 het type en het karakter van de Belgische herder vastlagen.
    In de loop van de geschiedenis van het ras heeft het probleem van de verschillendasde variëteiten en de toegelaten kleuren aanleiding gegeven tot veel controversen. In tegenstelling hiermede zijn er echter nooit meningsverschillen geweest met betrekking tot de lichaamsbouw van de Berlgische Herder, zijn karakter en zijn werkaanleg.
    Algemeen Voorkomen: de Belgische Herder is sddche verhoudingen, die elegantie paart aan kracht. Hij is middelgroot, droog en sterk bespierd, inschrijfbaar in een vierkant, rustiek, gewend aan het openluchtleven en gebouwd om te weersteen aan de zo frequente weersveranderingen van het Belgische klimaat. Door de harmonie van zijn bouw enasdas zijn fier gedragen hoofd moet de Belgische Herder de indruk geven van sierlijke kracht, hetgeen het erfdeel is geworden van de geselecteerde vertegenwoordigers van het werkhondenras. De Belgische Herder zal in stand in zijn natuurlijke houding gekeurd worden, zonder fdaysiek contact met de voorbrenger.

    Belangrijke verhoudingen: de Belgische Herdershond is inschrijfbaar in een vierkant. De borstdiepte komt tot aan de ellebooghoogte. De snuitlengte is gelijk aan of iets meer dan de helft van de dashoofdlengte.

    Gedrag / Karakter:
    de Belgische Herder is een waakzame en actieve hond, bruisend van vitaliteit en altijd dadabereid om tot actie over te gaan.soms is een mechelaar een tikkeltje dominant.Aan zijn aangeboren geschiktheid als bewaker van de kudden paart hij de kostbare goede eigenschappen van de allerbeste waakhond voor huis en erf. Hij is, zonder de minste aarzeling, de hardnekdadkige en vurige verdediger van zijn meester. Hij verenigt in zich alle vereiste kwaliteiten om een herders-, waak-, verdedigings- en diensthond te zijn. Zijn levendig en alert temperament en zijn zelfverzekerd karakter, zonder ook maar enige vrees of agressiviteit, moeten aduit de houding van zijn lichaam en de fiere en opmerkzame uitdrukking van zijn fonkelende ogen. Tijdens het keuren zal men rekening houden met een `rustig` en `onverschrokken' karakter.

    Hoofd:
    hoog gedragen, lang zonder overdrijadving, rechtlijnig, goed gebeiteld en droog. De schedel en de snuit zijn ongeveer even lang, met ten hoogste een klein verschil ten voordele van de snuitlengte, wat geheel de indruk geeft van een volmaakte afwerking.

    Schedeladagedeelte:
    middelmatig breed, in verhouding tot de lengte van het hoofd, het voorhoofd eerder afgeplat dan rond, de voorhoofdsgroef weinig afgetekend, van opzij gezien evenwijdig aan de denkbeeldige lijn die de neusrug verlengt, achterhoofdskam weinig ontwikkeld, wenkbrauadaw- en jukbeenbogen niet uitstekend.

    Stop:
    matig

    Snuitgedeelte:
    Neus:
    zwart

    Snuit:
    middelmatig lang en goed gebeiteld onder de ogen, geleidelijk naardad de neus toe versmallend, in de vorm van een langwerpige wig, neusrug recht en evenwijdig aan de verlengde bovenlijn van het voorhoofd, goed gespleten bek, wat betekent dat bij geopende bek, met de kaken wijd uit elkaar, de mondhoeken sterk naar achteren zijn getrokken.

    Lippen:
    dun, goed aangesloten en sterk gepigmenteerd.

    Kaken/gebit:
    sterke en witte tanden, regelmatig en stevig ingeplant in goed ontwikkelde kaakbeenderen. 'Schaargebit', het 'tanggebit', waaraan de voorkeur wordt gegeven door schaapherders en veedrijvers, wordt getolereerd. Volledig gebit, beantwoordend aan de tandformule, het ontbreken van twee premolaren (2 P1) wordt geduld en de molaren 3 (M3) worden niet in aanmerking genomen.

    Wangen:
    droog en goed valk, maar wel gespierd.

    Ogen:
    middelmatig groot, noch uitpuilend, noch diepliggend, licht amandelvormig, schuin, bruinachtig, liefst donker, oogranden zwart, de blik is direct, levendig, intelligent en vragend.

    Oren:
    eerder klein, hoog aangezet, duidelijk driehoekig uitzien, oorschelpen goed afgerond, de uiteinden puntig, strak, rechtopstaand en verticaal gedragen wanneer de hond aandachtig is.

    Hals:
    goed uitkomend, iets lang, tamelijk opgericht, goed gespierd, naar de schouders toe geleidelijk breder wordend en zonder keelwammen, de nek licht gewelfd.

    Romp:
    krachtig zonder plompheid, de lengte, vanaf het boegpunt tot aan het zitbeenpunt, is ongeveer gelijk aan de schothoogte.

    Bovenbelijning:
    de belijning van de rug en de lendenen verloopt recht.

    Schoft:
    afgetekend.

    Rug:
    vast, kort en goed gespierd.

    Lenden:
    stevig, kort, voldoende breed, goed gespierd.

    Kruis:
    goed gespierd, slechts zeer licht hellend, voldoende breed, maar zonder overdrijving.

    Borst:
    weinig breed, maar goed diep, bovenzijde van ribben gewelfd, voorborst van voren gezien weinig breed, maar ook niet smal

    Onderbelijning:
    begint onderaan de borst en stijgt licht in een harmonische curve naar de buik toe, die noch afhangend, noch windhondachtig mag zijn, maar licht opgetrokken en matig ontwikkeld.

    Staart:
    goed ingeplant, met krachtige aanzet, middellang, minstens tot aan de sprong doch bij voorkeur verder reikend, in rust hangend gedragen, het uiteinde ter hoogte van de sprongen licht naar achteren gebogen, in actie meer opgeheven, doch niet hoger dan horizontaal gedragen, met de buiging naar de staartpunt toe meer uitgesproken, doch zonder ooit een haak of een afbuiging te vormen.

    Ledematen:

    Voorste Ledematen:
    Totaalbeeld:
    beendergestel stevig, maar niet zwaar, spierstelsel droog en sterk, de voorbenen zijn van alle zijden gezien loodrecht en van voren gezien volkomen parallel.

    Schouders:
    het schouderblad is lang en schuin, goed aanliggend, met het opperarmbeen een voldoende hoek vormend, die in het ideale geval 100-115° bedraagt.

    Opperarm:
    lang en voldoende schuin.

    Elleboog:
    vast, noch afstaand, noch aangedrukt

    Onderarm:
    lang en recht

    Pols:
    zeer stevig en effen

    Voormiddenvoeten:
    sterk en kort zoveel mogelijk loodrecht op de grond of slechts zeer weinig naar voren hellend

    Voorvoeten:
    rond, kattenvoeten, tenen gebogen en goed gesloten, voetzolen dik en elastisch, nagels donker en dik.

    Achterste ledematen:
    Totaalbeeld:

    krachtig, maar niet zwaar; van opzij is de stand van de achterste ledematen loodrecht en gezien van achteren volkomen parallel

    Dij:
    gemiddels lang, breed en sterk gespierd.

    Knie:
    bevindt zich ongeveer loodrecht onder de heup; kniehoeking normaal.

    Onderschenkel:
    gemiddeld lang, breed en gespierd.

    Sprong:
    laag bij de grond, breed en gespierd; matig gehoekt.

    Achtermiddenvoeten:
    stevig en kort; wolfsklauwen niet gewenst.

    Achtervoeten:
    mogen licht ovaal zijn; tenen gebogen en goed gesloten; voetzolen dik en elastisch; nagels donker en dik

    Gangwerk:
    de beweging is bij alle gangvormen levendig en vrij; de Belgische Herder is een goede galopeur, maar de gewone gangen zijn de stap en vooral de draf; de ledematen bewegen evenwijdig aan het mediaanvlak van het lichaam (recht gaand). Bij hoge snelheid komen de voeten dichter bij het mediaanvlak; bij het draven is de tredwijdte gemiddeld, de beweging regelmatig en vlot, met een goede stuwing van de achterste ledematen, waarbij de bovenbelijning goed strak blijft en zonder dat de voorbenen te hoog worden opgeheven. De Belgische Herder is voortdurend in beweging en lijkt onvermoeibaar; zijn gang is snel, elastisch en levendig. Hij is in staat om in volle snelheid plots van richting te veranderen (is `wendbaar'); door zijn uitbundig temperament en zijn drang om te waken en te beschermen, heeft hij een uitgesproken neiging om in cirkels te bewegen.

    Huid:
    elastisch, maar over het hele lichaam goed en strak; randen van lippen en oogleden sterk gepigmenteerd.

    Vacht en Variëteiten:
    daar de beharing bij de Belgische herdershonden verschilt in lengte, aanblik en kleur, werd dit als criterium gekozen om een onderscheid te maken tussen de vier

    Rasvariëteiten:
    de Groenendaeler, de Tervuerense herder, de Mechelaar of Mechelse herder en Laekense herder.
    Deze vier variëteiten worden afzonderlijk gekeurd en iedere variëteit afzonderlijk kan een voorstel krijgen voor een C.A.C, een C.A.C.I.B. of reserves.


    Vachtsoorten:
    bij alle variëteiten moet de beharing altijd dicht zijn, goed aanliggend, van 33n goede textuur en samen met de wollige ondervacht een uitstekende beschutting vormen.

    LANGHAAR:
    het haar kort op het hoofd, aan de buitenkant van de oren en het onderste van de ledematen, behalve aan de achterzijde van de onderarm, die van aan de elleboog tot aan de pols bedekt is met lange haren, die `franjes' worden genoemd. Het haar is lang en vlak aanliggend over de rest van het lichaam en langer en overvloedig rond de hals en op de voorborst, waar het een `halskraag' en een `borstveer' of `bef' vormt. De opening van de gehoorgang is beschermd door dichte haren. Vanaf de ooraanzet zijn de haren opstaand en vormen een omlijsting van het hoofd. De achterzijde van de dijen is bekleed met zeer lang en overvloedig haar, dat de `broek' vormt. De staart is bedekt met lang en overvloedig haar dat een `veer' of `pluim ' vormt.
    De Groenendaeler en de Tervuerense zijn de langharigen.

    KORTHAAR:
    het haar zeer kort op het hoofd, aan de buitenkant van de oren en het onderste van de ledematen. Het is kort op de rest van het lichaam en voller aan de staart en rond de hals, waar het een halskraag vormt, die begint aan de ooraanzet en dooraanzet en doorloopt tot de keel. Bovendien is de achterzijde van de dijen met langere haren bevederd. De staart lijkt op een korenaar maar vormt geen staartveer.
    De Mechelaar is de kortharige.

    RUWHAAR:
    hetgeen de ruwharige vooral kenmerkt is de ruwheid en de droogheid van het haar, dat bovendien krassend is en warrelig. De haarlengte is ongeveer 6 cm en over het hele lichaam gelijk, maar wel korter op de neusrug, het voorhoofd en de ledematen. Noch de haren rond de ogen, noch de haren die de voorsnuit bedekken mogen zo uitgegroeid zijn dat ze de vorm van het hoofd verbergen. De snuitgarnituur nochtans is verplicht. De staart mag geen veer vormen.
    De Laekense herder is de ruwharige.


    Vachtkleuren:

    Masker:
    bij de Tervuerense en de Mechelse herders moet het masker zeer goed geprononceerd zijn en de neiging hebben de boven- en de onderlippen, de mondhoeken en de oogleden te omvatten in één enkele zwarte zone. Voor het masker wordt een strikt minimum van acht zichtbare pigmentatiepunten bepaald: de beide oren, de beide bovenste oogleden en de beide boven- en onderlippen, die zwart moeten zijn.

    Zwart-gevlamd (charbonné):
    bij de Tervuerense en de Mechelse herders betekent zwart-gevlamd dat er haren zijn met zwarte uiteinden, waardoor de grondkleur wordt beschaduwd. Dit zwart is in ieder geval `gevlamd' en mag zich noch als grote platen, noch als echte strepen (stroming) vertonen. Bij de Laekense herder komt het zwart-gevlamd onopvallender tot uiting.

    Groenendaeler:
    uitsluitend eenkleurig zwart.

    Tervuerense herder:
    uitsluitend zwart-gevlamd vaalros (fauve-charbonné) en zwart-gevlamd grijs (gris-charbonné), met zwart masker; de zwart-gevlamde vaalrosse kleur blijft nochtans de voorkeur hebben. Het vaalros (fauve) moet warm zijn, noch licht, noch uitgewassen. Een hond wiens vachtkleur anders is dan zwart-gevlamd vaalros of niet de gewenst intensiteit vertoont, kan niet beschouwd worden als een elitehond.

    Mechelaar:
    uitsluitend zwart-gevlamd vaalros (fauve-charbonné), met zwart masker

    Laekense herder:
    uitsluitend vaalros (fauve), met sporen van zwart-gevlamd (charbonné), voornamelijk op de voorsnuit en de staart.

    Alle variëteiten:
    een weinig wit op de voorborst en de tenen wordt geduld.


    Grootte, gewicht en maten:

    Schofthoogte:

    de gewenste hoogte is gemiddeld

    62 cm voor de reuen,
    58 cm voor de teven.

    Grenzen:
    naar beneden 2 cm, naar boven 4 cm.

    Gewicht:

    reuen ongeveer 25 - 30 kg,
    teven ongeveer 20 - 25 kg.

    Lichaamsmaten:
    normale gemiddelde maten bij een Belgische Herder reu die een schofthoogte heeft van 62 cm:

    Lichaamslengte (vanaf het boogpunt tot aan het zitbeen):
    62 cm.

    Hoofdlengte:
    25 cm.

    Snuitlengte:
    12,5 à 13 cm.


    Fouten:

    Elke afwijking van het bovengenoemde moet als een fout beschouwd worden, die bestraft wordt naargelang de ernst ervan. ° Algemeen voorkomen: plomp, zonder elegantie; te licht of te tenger; langer dan hoog,
    inschrijfbaar in een rechthoek.

    Hoofd:
    zwaar, te krachtig, zonder parallellisme, onvoldoende gebeiteld of droog; voorhoofd terond; stop te uitgesproken of te vlak; snuit te kort of geknepen; ramsneus; wenkbrauw- of jukbeenbogen te uitstekend

    Neusspiegel, lippen, oogleden: sporen van pigmentverlies.

    Gebit:
    onregelmatige inplanting van snijtanden. Zware Fout: het ontbreken van één snijtand
    (1 I), één premolaar 2 (1 P2), één premolaar 3 (1 P3), of van drie premolaren 1 (3 P1).

    Ogen:
    licht, rond

    Oren:
    groot, lang, te brede aanzet, laag ingeplant, divergent of convergent.

    Hals:
    tenger; kort of diepliggend.

    Romp:
    te gestrekt; borstkas te breed (cilindrisch).

    Schoft:
    vlak, laag

    Bovenbelijning:
    rug en/of lendenen lang, zwak, doorgezakt of gewelfd.

    Kruis:
    te hellend, overbouwd

    Onderbelijning:
    te diep of te ondiep; te veel buik.

    Staart:
    te lage aanzet; te hoog gedragen, een haak vormend, afbuigend.

    Ledematen:
    te licht of te zwaar van bot; slechte standen gezien van opzij (bv. te schuine
    voormiddenvoeten of zwakke polsen), van voren (bv. naar binnen of naar buiten gekeerde voetstand,
    uitgedraaide ellebogen, enz.) of van achteren (bv. achterbenen nauw, wijd of tonvormig,
    hakkeneng of hakkenwijd, enz.); te weinig of overdreven gehoekt.

    Voeten:
    spreidtenen.

    Gangwerk:
    nauwe beweging, te korte paslengte, te weinig stuwing, slechte rugoverbrenging, steppende gang (hoogdraven).

    Vacht:
    de vier variëteiten: onvoldoende ondervacht.
    Groenendaeler en Tervuerense: haar wollig, gegolfd of gekruld; haar onvoldoende lang.

    Mechelaar:
    halflang haar waar het kort zou moeten zijn; gladhaar; ruwe haren tussen het korte haar verspreid; gegolfd haar.

    Laekense:
    haar te lang, zijdeachtig, gegolfd, gekroesd of kort; vol met fijn haar, in plukken verspreid tussen het ruwe haar; te lang haar rond
    de ogen of aan de onderbek; dichtbehaarde staart.

    Kleur:
    de vier variëteiten: brede, diepe, witte borstvlek ('plastron'); wit op de voeten, dat hoger reikt dan de tenen.

    Groenendaeler:
    rosse schijn in de vacht; grijze broek.

    Tervuerense:
    grijze kleur.

    Tervuerense en Mechelaar:
    stroming; onvoldoende warme tinten; het zwart-gevlamd
    onvoldoende of overmatig aanwezig of in platen over het lichaam verdeeld; onvoldoende masker.

    Tervuerense, Mechelaar en Laekense:
    het vaalros te licht; een zeer verdunde grondkleur, 'uitgewassen' genoemd, wordt beschouwd als een
    zware fout.

    Karakter:
    honden met te weinig zelfvertrouwen of die hypernerveus zijn..


    Diskwalificerende Fouten:

    ° Karakter: agressieve of angstige honden.

    ° Algemeen voorkomen: afwezigheid van rastype.

    ° Gebit: bovenvoorbeet; ondervoorbeet, zelfs zonder verlies van contact (omgekeerd schaargebit); kruisgebit; ontbreken van een hoektand (1 C),
    een scheurkies boven (1 P4) of onder (1 M1), een molaar (1 M1 of 1 M2, uitgenomen M3), een premolaar 3 (1 P3) plus een andere tand, of in
    totaal drie tanden (uitgenomen de premolaren 1) of meer.

    ° Neusspiegel, lippen, oogleden: sterk gedepigmenteerd.

    ° Oren: hangend of kunstmatig rechtop gehouden.

    ° Staart: afwezig of gekort, vanaf de geboorte of door couperen; te hoog en ringvormig gedragen
    of opgerold

    ° Vacht: afwezigheid van onderwol.

    ° Kleur: alle kleuren die niet overeenstemmen met de beschrijvingen van de variëteiten; te
    uitgebreide witte aftekeningen op de voorborst, zeker waarneer deze doorlopen tot aan de hals;wit op de voeten, dat hoger reikt dan halfweg de
    voor- of de achtermiddenvoeten en dat sokken

    vormt; witte vlekken elders dan op de voorborst en op de tenen; afwezigheid van masker, evenals
    een snuit die lichter gekleurd is dan het geheel van de vacht bij de Tervuerense herder of de Mechelaar (omgekeerd masker).

    ° Schofthoogte:buiten de opgelegde grenzen.

    N.B.: De reuen moeten twee normale testikels hebben, die volledig in het scrotum zijn ingedaald.

    Kruisingen - intervariëteiten paringen: paringen tussen verschillende variëteiten zijn verboden, behalve in zeer bijzondere gevallen, wanneer toestemming wordt verleend door de bevoegde nationale fokcommissies (tekst 1974, opgesteld te Parijs)


    Gezondheid van de Mechelse Herder

    De mechelse herder kan HD-, ED en oogproblemen hebben. Daarnaast kan ook epilespie voorkomen.

    De kans dat deze aandoeningen bij een hond uit geteste ouders voorkomt is veel kleiner dan uit niet geteste ouders.
    Vraag dus aan de fokker naar de testresultaten van de ouders, een goede fokker laat deze graag zien en heeft kopieën van de resultaten van de vader of kan deze via een site laten zien.
    De HD, ED en oog-test worden door een specialist uitgevoerd.
    Voor HD en ED worden een rontgenfoto gemaakt en beoordeeld door de Raad van Beheer.
    De beste uitslag voor HD is HD-A. Met HD-B (een overgangsvorm) mag ook vaak gefokt worden.
    Bij ED en de ECVO oogtest is VRIJ de uitslag die je op het certificaat wil zien.


    Verzorging van de Mechelse Herder

    Welke verzorging heeft de Mechelse Herder/Malinois nodig


    De Mechelse Herder heeft vrij weinig vachtverzorging nodig. Natuurlijk moet je hem wel dagelijks borstelen tijdens de ruiperiode voor de dode en losse haren te verwijderen en voor de losgekomen ondervacht gaat vervilten. Dit kun je voorkomen met een herdersharkje.
    De nagels kort houden.

    Opvoeding van de Mechelse Herder

    Hoe de Mechelse Herder/Malinois opvoeden


    De Mechelaar is een vlotte leerling en leergierig. De opvoeding geeft normaal geen problemen. Je moet de Mechelaar zeer consequent en in alle rust opvoeden.
    Als je de Mechelaar niet laat voelen wie de leiding heeft zal hij de rollen snel omdraaien.
    De Mechelse Herder heeft een sterke persoonlijkheid daarom heeft hij ook een baas nodig die bereid is de hond een taak/werk te geven. Als de Mechelaar die niet krijgt gaat hij zich ongelukkig voelen een afwijkend gedrag vertonen.
    De Mechelaar kan wel een goede socialisatie gebruiken. Hiermee bedoel ik dat je de hond kennislaat maken met uiteenlopende situaties, dieren en mensen.
    Dit is goed voor de karaktervorming. Dit geld eigenlijk voor elke hond.


    Rasvereniging van de Mechelse Herder

    nvbh voor nederland
    nvbk voor belgie

    Overige informatie over de Mechelse Herder

    De sociale aanleg van de Mechelse Herder/Malinois

    De Mechelse Herder kan over het algemeen goed overweg met kinderen. Maar dat is geen reden om een hond alleen te laten met kinderen, dat doe je met geen enkele hond. (Niet elke hond kan tegen oren of staarten trekken en ogen steken, en na een bepaalde duur reageert zelfs de braafste hond.)
    Zoals ik al eens heb vernoemt is zijn sommige honden van dit ras vrij dominant tegenover andere honden.
    Als je hem van pups af aan laat wennen aan (huis)dieren, zal dit geen problemen geven in de toekomst.
    Vrienden van de familie worden enthousiast begroet, maar in andere gevallen handelen ze naar gelang de situatie.


    De taak van de Mechelse Herder/Malinois

    De oorspronkelijke taak van de Mechelaar is het drijven van vee. Maar tegenwoordig worden ze meer gebruikt als politiehond, lawinehond en reddingshond.
    De Mechelaar is ook geschikt voor verschillende hondensporten zoals: behendigheid, africhting, flyball en gevorderde gehoorzaamheid.


    Hoeveel beweging heeft de Mechelse Herder/Malinois nodig

    De Mechelaar is een werkhond pur sang. Ze hebben niet alleen veel beweging nodig voor hun energie kwijt te raken maar hebben ook een behoefte aan geestelijke bezigheid.
    Met de Mechelaar heb je veel keuze om hem bezig te houden. Je moet gewoon zien dat je hem een dagelijkse bezigheid geeft.
    Dit kun je doen door met hembalspelletjes te spelen, zwemmen, onaagelijnd ravotten, apporteren en naast de fiets lopen.
    Wat de mensen ook zeggen het is niet waar, je mishandelt het dier niet als je er mee gaat fietsen. Je zou hem juist mishandelen als je de Mechelse Herder thuis laat of kleine blokjes wandelt.

    Hij wil rennen en zich uitleven, hou hier rekening mee!!!
    Als hij het echt niet aankan of als hij echt niet wilt zal hij wel stoppen(dit zal waarschijnlijk nooit niet voorkomen als hij in goede conditie is). Als jij moe bent stop je toch ook?!!!
    Je kan hem gerust laten los lopen, ze hebben niet de neiging om te gaan lopen, dit kan ook een voordeel zijn als u rustige onaagelijnde wandelingen wilt maken (waar dit is toegelaten natuurlijk).
    Als je de mechelaar castreert(stereliseert) dan wordt hij/zij heel waaks en blaft al als hij/zij denkt dat hij iemand hoort langs lopen
    De Mechelaar gaat door weer en wind.


    Mechelse Herder pup aanschaffen

    Prijzen vind je van 250 tot 600 euro en meer. 400€ is een mooi gemiddelde.

    Op dit moment wordt dit ras nog niet veel teruggevonden bij broodfokkers wat we alleen maar kunnen toejuichen.

    sommige fokkers werken met koppels speciaal voor pakwerk. Een hond met een stevige beet wordt er dan vermeld. Deze lijnen zijn soms enkel geselecteerd op beet en minder op karakter. Als je een gezinshond wil, moet je hier allert voor zijn.





    Behandel je dieren zoals je zelf ook behandeld wilt worden.

      Het is nu za 21 apr 2018, 02:40